Menu Sluiten

Het mobiliteitsbudget treedt op 1 maart 2019 in werking!

Het mobiliteitsbudget is een maatregel die een alternatief wil bieden voor de bedrijfswagen. Deze maatregel wordt op 1 maart 2019 van kracht.

1. Mobiliteitsbudget vs. mobiliteitsvergoeding (“cash for car”)

Deze twee maatregelen (mobiliteitsbudget en mobiliteitsvergoeding) hebben tot doel een alternatief te bieden voor de bedrijfswagen. De mobiliteitsvergoeding bestaat uit een geldsom (“vergoeding”) die de werknemer krijgt, het mobiliteitsbudget is een “budget” dat de werknemer op drie manieren kan gebruiken (zie punt 2 hierna). Met het mobiliteitsbudget kan de werknemer dus nog steeds over een bedrijfswagen beschikken. Het mobiliteitsbudget wordt trouwens gekenmerkt door de combinaties die mogelijk zijn (bedrijfswagen en/of alternatief vervoer en/of cash). Bepaalde aspecten van deze maatregelen zijn weliswaar vergelijkbaar (bijvoorbeeld de verwijzing naar de periode van 36 maanden waarin een bedrijfswagen ter beschikking moest zijn gesteld), maar het gaat om twee verschillende maatregelen waartussen de werkgever vrij kan kiezen.

2. Welke alternatieven biedt het mobiliteitsbudget?

Het mobiliteitsbudget is gebaseerd op drie pijlers waartussen de werknemer vrij de pijler(s) kan kiezen waarvan hij gebruik wenst te maken (pijler 1 en/of pijler 2 en/of pijler 3).

2.1. Eerste pijler

De eerste pijler bestaat uit een bedrijfswagen. Dat moet dan wel een milieuvriendelijke auto zijn, die voldoet aan welbepaalde milieucriteria:

– het is ofwel een elektrische auto,

– ofwel heeft de auto een uiteindelijke (2021) maximale CO2-uitstoot van 95 g. Tegen 2019 moet de maximale CO2-uitstoot lager zijn dan of gelijk aan 105 g en tegen 2020 moet hij lager zijn dan of gelijk aan 100 g.

Deze auto is onderworpen aan de gewone fiscale en parafiscale behandeling van een bedrijfswagen.

2.2. Tweede pijler

De tweede pijler is het geheel van een reeks alternatieve en duurzame vervoerswijzen, waaronder:

– het openbaar vervoer (woon-werk), maar ook tickets voor het openbaar vervoer in België of in Europese Economische Ruimte;

– de fiets;

– carpoolen en autodelen;

– taxidiensten;

– het huren van een voertuig zonder chauffeur gedurende maximaal 30 kalenderdagen per jaar.

Ook bepaalde kosten in verband met de woning van de werknemer (huur en interesten van hypothecaire leningen) die dicht bij zijn gebruikelijke werkplaats ligt (straal van 5 km), maken deel uit van deze tweede pijler.

2.3. Derde pijler

De derde pijler opent voor de werknemer het recht op uitbetaling van het saldo van het budget dat hij niet aan de twee andere pijlers heeft uitgegeven.

Er is voorzien dat het bedrag dat in aanmerking wordt genomen voor de cash uitbetaling onderworpen wordt aan een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 38,07%. De derde pijler wordt dus ontmoedigd ten gunste van de tweede, die volledig wordt vrijgesteld in hoofde van de werknemer en volledig aftrekbaar is voor de werkgever.

3. Initiatief van de werkgever

De invoering van een mobiliteitsbudget valt onder de exclusieve beslissingsbevoegdheid van de werkgever.

De eventuele voorwaarden die de werkgever daaraan wil verbinden, moeten bij de invoering van het mobiliteitsbudget aan alle werknemers worden meegedeeld. De werkgever kan een dergelijk mobiliteitsbudget alleen invoeren als hij gedurende een ononderbroken periode van ten minste 36 maanden die onmiddellijk voorafgaat aan de invoering van het mobiliteitsbudget reeds één of meer bedrijfswagens ter beschikking heeft gesteld van één of meer werknemers.

4. Aanvraag van de werknemer

Als de werkgever het mobiliteitsbudget in zijn onderneming heeft voorzien, kan de werknemer een aanvraag indienen om daarvan te genieten.

Belangstellende werknemers moeten aan twee voorwaarden voldoen:

– In de loop van de laatste 36 maanden moet de werknemer gedurende ten minste 12 maanden een bedrijfswagen ter beschikking hebben gehad;

– Op het ogenblik van de aanvraag moet de werknemer gedurende ten minste 3 maanden zonder onderbreking beschikken over een bedrijfswagen.

De werkgever beslist dan om al dan niet op de aanvraag van de werknemer in te gaan. Deze beslissing wordt schriftelijk aan de aanvrager meegedeeld. De formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever om op deze aanvraag in te gaan, vormen een akkoord waarvan de inhoud als dusdanig deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.

5. Einde van het mobiliteitsbudget

De toekenning van het mobiliteitsbudget eindigt ten laatste op de eerste werkdag van de maand waarin de werknemer:

1. een functie uitoefent waarvoor in het loonstelsel van de werkgever geen enkel recht op een bedrijfswagen voorzien is;

2. beschikt over een mobiliteitsvergoeding die voorzien is door de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding;

3. beschikt over een andere bedrijfswagen dan een milieuvriendelijke auto.

nl_NLDutch
nl_NLDutch